Ministers willen meer mogelijkheden om in te grijpen bij scholen

08-06-2019

Hoewel het instrumentarium van de overheid om toezicht te houden op de scholen voldoet, stellen de ministers Van Engelshoven en Slob in een brief aan de Kamer vier extra maatregelen voor om te kunnen ingrijpen wanneer nodig. 

 

In een eerste reactie zegt de VO-raad er begrip voor te hebben dat de overheid in extreme situaties moet kunnen optreden. Wel wil de raad in overleg met de minister over hoe en wanneer je dit instrumentarium inzet. En: hoe het zich verhoudt tot het interne toezicht in de school.

 

In de Kamerbrief verwijzen de ministers naar incidenten als de examen-problemen bij LVO Maastricht en rond het Haga Lyceum. ‘De afgelopen tijd hebben wij meerdere keren met uw Kamer gesproken over een aantal ernstige incidenten. Daarbij is gebleken dat wij niet in alle gevallen snel en adequaat kunnen optreden wanneer de onderwijskwaliteit of veiligheid van leerlingen in het geding is. Ons instrumentarium en dat van de Inspectie van het onderwijs is daarvoor niet toereikend.’

 

‘Zoals gezegd voldoet het instrumentarium in de meeste gevallen. Er zijn echter uitzonderlijke situaties waarbij dit niet het geval is. Wij constateren dat wij onze verantwoordelijkheid om in te kunnen grijpen wanneer onderwijs niet voldoet aan de deugdelijkheidseisen niet in alle gevallen (voldoende) kunnen waarmaken. Onze grondwettelijke verantwoordelijkheid komt hiermee in het geding. Daarom is dan ook een uitbreiding van het instrumentarium nodig.’

De ministers stellen vier aanvullende instrumenten voor:

  • Introductie aanwijzing in spoedeisende gevallen
  • Uitbreiding definitie wanbeheer
  • Aanscherpen Beleidsregel financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen
  • Beëindiging bekostiging funderend onderwijs.

Verus vindt het plan van de ministers vol tegenstrijdigheden staan. Bij het eerste punt zeggen de bewindspersonen dat wanneer een redelijk vermoeden van wanbeheer bestaat, zij in spoedeisende gevallen een tijdelijke aanwijzing kunnen geven. Ze willen dus snel kunnen ingrijpen en daarbij is niet nodig dat definitief vaststaat dat er daadwerkelijk sprake is van wanbeheer. Een redelijk vermoeden daarvan is voldoende, aldus de ministers.

 

Ook vervalt de wettelijke termijn waarbinnen de onderwijsinstelling een reactie mag geven op het voornemen van de minister, zodat sneller gehandeld kan worden. Dit voorstel lijkt daarmee in tegenspraak te zijn met de eerder genoemde voorwaarde dat geconstateerd moet zijn dat een wettelijk voorschrift is overtreden. Ook het criterium van zorgvuldigheid lijkt hier aan de kant geschoven te zijn.

 

Burgerschap

Aan de definitie ‘wanbeheer’ (tweede punt) wordt nu ook “het ernstig of langdurig verwaarlozen van de zorg voor de burgerschapsopdracht of de sociale veiligheid” toegevoegd. Daarbij verwijzen de ministers naar het wetsvoorstel Verduidelijking burgerschapsopdracht dat nu nog bij de Raad van State ligt. Alles hangt af van de invulling van die burgerschapsopdracht: hoeveel ruimte krijgt een school straks nog om een daar een eigen visie op te hebben? Of is er straks nog maar één visie de juiste en worden afwijkende visies straks bestraft met einde bekostiging? Dat is niet helder.

 

 

Verus vindt dat de ministers van en voor OCW met zeer forse maatregelen komen voor (gelukkig) uitzonderlijke situaties. Wij vinden dat deze maatregelen alleen ingevoerd moeten worden, wanneer onomstotelijk is vastgesteld dat bestaande wetgeving tekortschiet en helder is wat de burgerschapsopdracht inhoudt. Daarbij hoort in alle gevallen een adequate rechtsbescherming.

 

Bron: VO-Raad, Verus

 

 

Terug naar vorige pagina